Cameratoezicht in Rotterdam. Is er eigenlijk wel principieel debat?
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van Rotterdam zorgt een thema altijd voor extra commotie: veiligheid. En één van de meest in het oog springende debatten op dat vlak gaat over het uitbreiden van cameratoezicht. Een debat met – in potentie – scherpe ideologische kantjes. Aan de basis hiervan ligt natuurlijk de empirische vraag of Rotterdam veiliger wordt van extra camera’s. Maar natuurlijk ook de ideologische vraag: wat is extra veiligheid ons waard? Denk hierbij bijvoorbeeld aan privacy of minder blauw op straat.
Een voorspelling. De komende jaren zal de uitbreiding van cameratoezicht in Rotterdam (nu: circa 300) gestaag doorgaan. Afhankelijk van welke coalitie er na 3 maart komt zal dit proces langzamer of sneller gaan, maar de uitbreiding zet door. Deze voorspelling is gebaseerd op een korte analyse van de verschillende standpunten (bron: Stemwijzer):
Laten we beginnen bij de uitgesproken voorstanders: Leefbaar Rotterdam en het CDA.
Leefbaar: Camera’s verhogen de pakkans en zijn een belangrijk middel in de strijd tegen criminaliteit en overlast.
Bij het CDA staat veiligheid op één. Het CDA heeft met succes gepleit voor extra bevoegdheden voor politie, justitie en gemeente om onveiligheid terug te dringen. Deze instrumenten, waaronder cameratoezicht, moeten dan ook worden ingezet om de veiligheid te verbeteren.
Dan twee duidelijke tegenstanders:het meest uitgesproken Groenlinks en daarna D66.
Uit onderzoek blijkt dat cameratoezicht geen effect heeft op de veiligheid. Met meer camera’s in Rotterdam is het aantal incidenten niet afgenomen. Wel is sprake van meer spreiding, waardoor kleine criminaliteit juist moeilijker te bestrijden is. Cameratoezicht kost veel geld, dat beter besteed kan worden aan toezichthouders. GroenLinks is niet principieel tegen elke camera, maar het moet wel zinvol zijn.
D66 geeft de voorkeur aan menselijk toezicht boven cameratoezicht. Meer blauw op straat geeft Rotterdammers een veiliger gevoel en er kan sneller worden ingegrepen. Ook uit het oogpunt van privacybescherming moet cameratoezicht terughoudend worden ingezet.
Maar ook de SP heeft hierover een negatief standpunt:
Menselijk toezicht – bijvoorbeeld een vaste conciërge op een metrostation of in een winkelcentrum, of een conducteur in de metro – is vaak beter dan meer cameratoezicht. Het kan zijn dat er op bepaalde plekken camera’s nodig zijn, maar we moeten ons ook afvragen of er wel camera’s nodig zijn op alle plekken waar ze nu hangen. De SP wil geen camera op iedere straathoek.
Bij de PvdA is er wel bezorgdheid voor privacy maar die wordt in een adem genoemd met overlast en/of vernielingen:
De PvdA vindt dat daar waar er veel vernielingen en/of overlast is cameratoezicht mogelijk moet zijn. Het moet wel proportioneel zijn en geen onnodige inbreuk op de privacy met zich meebrengen.
Bij de VVD is men kritisch. Daar staat veiligheid hoog in het vaandel maar er is nog wel een praktisch bezwaar:
Uiteraard daar waar nodig en mits er genoeg capaciteit is om deze beelden daadwerkelijk te volgen en te gebruiken.
Tot slot onze aandacht voor de Broederschapspartij. Die willen over cameratoezicht het volgende kwijt:
Iedereen moet zich veilig kunnen voelen in Rotterdam, overdag zowel als ‘s nachts.
Conclusie
Zoals het debat in Rotterdam nu gevoerd wordt, zet de uitbreiding van cameratoezicht gestaag door. De reden is simpel: er is vrijwel geen partij principieel op tegen. De SP komt hier nog uit de hoek met de meest ronkende retoriek (“Geen camera’s op iedere straathoek!”) maar is in het gedachteproces nog niet veel verder dan dat “we ons moeten afvragen of camera’s wel overal nodig zijn”. Groenlinks neemt het duidelijkste stelling als het om de effectiviteit van cameratoezicht gaat: “Uit onderzoek blijkt…geen effect op veiligheid.” Maar hier staat tegenover dat Groenlinks weer geen principieel bezwaar heeft met meer camera’s. In dat opzicht is het verschil tussen Leefbaar Rotterdam en Groenlinks dus in wezen niet zo groot. Voor het overige hebben tegenstanders en twijfelaars keurig netjes hun criteria geformuleerd om over de streep getrokken te worden: cameratoezicht moet bijvoorbeeld wel ‘proportioneel’ (wat betekent dat?!) en ‘bruikbaar’ zijn, en over privacy moeten we ‘goed nadenken’. De stand van zaken: de meeste partijen hebben hooguit een (lichte) voorkeur voor meer menselijk toezicht in plaats van camera’s.
De komende jaren gaan we zien of die voorzichtig geformuleerde bezwaren tegen cameratoezicht opwegen tegen het krachtiger (want duidelijker) geluid van het voorstanderskamp.






